OFFMODE

OFFMODE

Oké. Dus jij vindt duurzame kleding duur?

Een deep dive in de waarde van kleding, van de bizarre bedragen in de geschiedenis tot de scheefheid van de huidige industrie. "Ik kan niet ander dan bij SHEIN kopen" wil ik nu écht niet meer horen.

Sara Dubbeldam's avatar
Sara Dubbeldam
Aug 04, 2025
∙ Paid

“Ik kan niet anders kopen dan bij SHEIN”.

Als ik op Instagram iets deel over duurzamere kledingmerken, zijn er altijd mensen die steevast zeggen: “mooi hoor, maar veel te duur.” Soms krijg ik een gefrustreerde DM: “Ik heb gewoon geen andere keuze dan bij SHEIN kopen.”

En dat vind ik nogal wat.

Tuurlijk: bij eerlijke merken kunnen kopen is een enorm privilege. En als je jarenlang alleen maar lage prijzen ziet, voelt alles boven de twintig euro al snel buitensporig. Maar laten we niet vergeten hoe bizar de consumptienormen zijn die we tegenwoordig nastreven. De hoeveelheid kleding die we kopen is wereldwijd geëxplodeerd. Zoals ik eerder schreef: de mode-industrie produceert jaarlijks tussen de 80 en 150 miljard kledingstukken. En dat is een ruwe schatting, want merken hoeven dit niet eens te rapporteren (en dat moet anders; ik ga dit najaar weer met de Dutch Sustainable Fashion Circle actievoeren om dat te veranderen). Alleen al tussen 2000 en 2014 is het aantal kledingstukken dat we kopen verdubbeld.

Nu kopen we acht shirts voor de prijs van een avondje uit, dragen ze drie keer en noemen het een goede deal. Het is bizar dat we op het punt zijn gekomen waarop mensen hun overconsumptie van rotzooi goedpraten met het idee dat ze geen keus hebben. Ook duurzamere merken horen het steeds vaker: “jeetje, wat zijn jullie duur”.

Maar weet je wat pas écht duur is? Een systeem waarin we zoveel kopen dat we vergeten zijn wat kleding ooit betekende. Iets waar je voor spaarde, dat je oneindig herstelde en doorgaf. Vanuit historisch oogpunt val je helemaal van je stoel, maar daarover straks meer.

Want duurzame kleding is niet ‘duur’. Onze prijsnorm is verknipt. Tijd om dat recht te trekken.


Heftig: van kostbaar bezit naar wegwerpproduct

Mijn ouders waren altijd budgetbewust. Mama maakte een deel van onze kleding zelf, de rest kwam van winkels als C&A, Bristol (waar je hele leuke dingen vond als je goed zocht) en af en toe iets uit de Otto- of Wehkampcatalogus. In mijn puberteit spaarde ik al het geld dat ik verdiende in de plantenkas (ik heb nog steeds rugklachten) voor een statusverhogende low-waisted flare van Miss Sixty en een Replay jeans. Een rib uit m’n lijf, maar het was het zó waard.

Toen ik rond mijn 17e met vriendinnen in Rotterdam ging shoppen, ontdekte ik H&M en Zara. Pure euforie. Eindelijk kon ik eruitzien zoals mijn idolen, voor een bedrag dat binnen mijn bereik lag. Maar de echte doorbraak kwam toen Primark naar Nederland kwam. Op het Ellegirl-forum waar ik dagelijks op zat (en waar mijn fast fashion verslaving begon), lazen we hoe belachelijk goedkoop het daar was: waar je bij H&M twintig euro kwijt was voor een trui, betaalde je bij Primark een tientje.

Toen de eerste vestiging op Rotterdam Zuidplein opende, rénde ik erheen. Bij binnenkomst kreeg je zo’n shoptas van een meter diep, en ik vulde ‘m altijd tot de rand. Na oneindige passessies nam ik meerdere tassen met kleding mee naar huis: te goedkoop om te laten liggen. Goedkoop werkte verslavend. En niemand vroeg zich af hoe dat eigenlijk kon.

Onze referentieprijs verschuift

Pas veel later realiseerde ik me wat Primark écht veranderde: mijn referentieprijs. Eerst vond ik Zara betaalbaar. Maar toen Primark kwam, voelde Zara ineens duur. En nu zie je exact hetzelfde gebeuren met SHEIN. Steeds meer mensen zeggen dat ze ‘geen andere optie’ hebben dan daar te kopen. Maar eerlijk: heb je voor SHEIN óóit iemand horen zeggen dat Primark te duur was?

Gemiddeld 100 SHEIN items per jaar(!)

This post is for paid subscribers

Already a paid subscriber? Sign in
© 2026 Sara Dubbeldam · Privacy ∙ Terms ∙ Collection notice
Start your SubstackGet the app
Substack is the home for great culture